HET INTERVIEW /
Onderzoekster Paola Verhaert pleit voor digitaal burgerschap
Interview en tekst - Lieven Bax | Foto’s - Jan Locus | WINTER 2025 | LEESTIJD - 7 MINUTEN
De digitale toekomst is niet iets dat je moet ondergaan. Wel integendeel. Onderzoekster Paola Verhaert pleit voor digitaal burgerschap: de digitale samenleving op een actieve en democratische manier mee vormgeven.
‘Technologie is politiek’ luidt de titel van een essay dat je onlangs publiceerde, maar het is ook hoe er volgens jou naar de digitale samenleving moet worden gekeken. Waarom?
Technologie ontstaat niet zomaar. Technologie krijgt vorm door mensen die technologieën ontwerpen, door bedrijven die bepaalde producten op de markt brengen, door regelgeving en – als het goed is – door burgers die hun verwachtingen omtrent technologie delen. Helaas is dat laatste in de afgelopen decennia sterk afgenomen. Met als gevolg dat er steeds minder kritisch wordt gekeken naar de rol die innovatie en technologie in onze samenleving spelen, niet alleen door burgers, maar ook door hun politieke vertegenwoordigers.
We onderschatten onze rol als burger in de digitale maatschappij?
In de afgelopen decennia werden burgers vooral gezien als gebruikers van technologie, waardoor we al die tijd niet goed beseften in hoeverre technologie ook invloed heeft op ons politiek en sociaal leven. En hetzelfde geldt als het gaat over de mate waarin we zelf ook belang hebben bij het eisen van inspraak in hoe technologie in ons leven een rol speelt.
Daarnaast is ook het narratief ontstaan dat je over een bepaald niveau van technologische kennis en vaardigheden moet beschikken om te kunnen begrijpen hoe technologie werkt. Beantwoord je niet aan dat profiel, dan zou je niet mogen meepraten over welke richting de digitalisering moet uitgaan. Onzin natuurlijk. Er bestaat ook zoiets als lived experience. Het is belangrijk om ook die ervaring mee te nemen in de ontwikkeling en het gebruik van technologie en hoe daarover wordt gesproken.
In mijn boek beschrijf ik het werk van Virginia Eubanks, een Amerikaanse politicologe die heel wat onderzoek heeft gedaan rond de assumptie dat cliënten van hulpverleningsorganisaties die in hun privéleven geen laptop of andere IT-apparaten gebruiken geen ervaring zouden hebben met technologie en er zich ook geen mening over zouden kunnen vormen. Het tegendeel bleek waar te zijn. Omdat de betrokkenen wel dagelijks in contact komen met technologie op de werkvloer en binnen de sociale hulpverlening.
Toch hebben de meeste mensen het gevoel dat ze niets te zeggen hebben over digitale ontwikkelingen. Ze vergissen zich?
Gezien het narratief dat over technologie bestaat, is het niet onlogisch dat mensen met dat gevoel zitten. Maar ik raad hen aan om kritisch naar dat narratief te kijken en het af en toe naast zich neer te leggen.
Uit onderzoek van de Koning Boudewijnstichting blijkt dat in 2023 niet minder dan vier op de tien Belgen tussen 16 en 74 jaar digitaal kwetsbaar waren. Kun je van hen digitaal burgerschap verwachten?
Zoals ik al aanhaalde, heeft iedereen ervaring met technologie. Dus ook mensen die digitaal kwetsbaar zijn. Hun ervaring is ongetwijfeld anders, maar het draait niet alleen rond functionele kennis en expertise. We moeten ook naar de softere waarden kijken.
Digitaal burgerschap is trouwens niet alleen de verantwoordelijkheid van individuen. Bijdragen aan de manier waarop de digitale samenleving wordt vormgegeven, is iets dat je samen doet. En organisaties zoals de vakbonden hebben daarbij een belangrijke schakelfunctie. Zij kunnen onder meer helpen om burgers te activeren en hun hulpvragen te beantwoorden.
“Bijdragen aan de manier waarop de digitale samenleving wordt vormgegeven, is iets dat je samen doet. En organisaties zoals de vakbonden hebben daarbij een belangrijke schakelfunctie.”
Nemen de vakbonden die rol in het algemeen naar behoren op?
De opkomst van de platformeconomie is voor de vakbonden niet alleen een kantelpunt geweest om te beginnen praten over hoe daarmee om te gaan, maar ook om het over het introduceren van nieuwe technologieën op de werkvloer en de automatisering van arbeidsprocessen te hebben. Intussen hebben ze ook allemaal een vormingsaanbod rond technologie. En ik zie hoe de vakbonden, zeker in Europa, op tafel durven slaan om wetgeving te kunnen beïnvloeden.
Het speelveld is ondertussen ingenomen door grote technologiebedrijven, een evolutie die jij als problematisch bestempelt. Waarom?
Ik zie een heleboel problemen, maar laat me mij toespitsen op hoe de overheid met digitale technologie omgaat. Heel veel van onze publieke infrastructuur hangt af van digitale technologie. Neem de itsme-app waarmee we ons kunnen identificeren als we informatie of iets anders nodig hebben van de overheid. De eigenaar van die app is een privébedrijf. Dat moet zich vanzelfsprekend aan een aantal afspraken houden rond het beheer van de enorme hoeveelheid gevoelige data waarover het beschikt. Maar het blijft wel een bedrijf dat kan worden verkocht. Een realistisch scenario. Zo staat het bedrijf achter de Nederlandse tegenhanger van de itsme-app, DigiD, op dit moment te koop. DigiD komt wellicht in handen van een Amerikaans bedrijf. Stel dat itsme hetzelfde lot ondergaat? In ons land bestaan er gelukkig alternatieven voor itsme, maar hoe staan wij tegenover de mogelijkheid dat een Amerikaans bedrijf persoonlijke data van ons in handen krijgt? Dat is een publiek debat waard.
Iedereen geloofde dat Big Tech het goed met ons voorhad. Zijn we naïef geweest?
Naïef is misschien niet het juiste woord, want ik begrijp waarom we dat geloofden. Googles slogan was jarenlang: ‘Don’t be evil’. Bedrijven zoals Google opereerden vanuit de belofte ons in staat te stellen om makkelijk contacten te onderhouden met mensen dichtbij en veraf. En dat helemaal gratis. Maar gaandeweg heeft het aanbod van die bedrijven aan kwaliteit ingeboet en zijn de betrokken bedrijven ook roofzuchtiger geworden door op hun platformen ruimte te creëren voor partners die vooral geïnteresseerd zijn in onze data.
Je ontmoette de afgelopen jaren talloze mensen die zo goed mogelijk hun best doen om mee te zijn met technologische ontwikkelingen, “maar tegelijk leven met de constante angst om te worden achtergelaten”.
Dat is inderdaad één van de conclusies uit de onderzoeken die ik in die periode heb gedaan. Maar hetzelfde verhaal krijg ik ook continu te horen van familie en in mijn vrienden- en kennissenkring. Met de opkomst van artificiële intelligentie ontstond er bovendien een nieuwe golf van angst om achter te blijven.
Die angst is ook niet leeftijdsgebonden. Lang werd gedacht dat de snelle ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën alleen ouderen bang maakte, maar de Vlaamse Jeugdraad bracht onlangs nog een interessante studie uit over de digitale leefwereld van jongeren, die bevestigt dat ook jongeren worstelen met digitale technologie. Ook iemands gezondheidstoestand kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat hij of zij digitaal geïsoleerd is, net als de sociaaleconomische context waarin iemand zich bevindt.
“Lang werd gedacht dat de snelle ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën alleen ouderen bang maakte, maar uit een recente studie over de digitale leefwereld van jongeren blijkt dat ook zij worstelen met digitale technologie.”
Om het met een metafoor te zeggen: we zitten allemaal samen op de digitale sneltrein.
Ik haal die metafoor aan in de inleiding van mijn boek, om ze daarna af te breken. Het is een metafoor waarmee de digitalisering van de samenleving wordt voorgesteld als iets dat enorm snel gaat en een vooraf bepaalde koers volgt. Zo creëer je bij mensen een gevoel van urgentie: je moet opstappen, anders blijf je achter. Dan is het normaal dat die mensen angstig worden.
Blijkbaar leeft het idee dat innovatie enkel wordt gestuurd door privébedrijven. Een vreemde gedachte. Innovatie heeft altijd een politieke component. Een heleboel producten die bedrijven uit Silicon Valley op de markt brachten, zijn er alleen gekomen door overheidssubsidies. Net zoals verschillende onderdelen van de iPhone het resultaat zijn van door de overheid gefinancierd onderzoek.
Jij gebruikt liever de metafoor die de Canadese scheikundige Ursula Franklin op het einde van de jaren tachtig introduceerde. Zoals zij het zag, “heeft technologie het huis gebouwd waarin we allemaal leven”.
Het is een metafoor die beter aansluit bij het feit dat technologie mee wordt gevormd door de gebruikers.
Verderop in mijn boek citeer ik de Amerikaanse schrijver en technologie-expert Ben Tarnoff, die stelt dat de huidige economie van het internet eerder lijkt op een verzameling van online winkelcentra die op een heel roofzuchtige manier omgaan met hun klanten. De meeste populaire platformen gunnen gebruikers zo goed als geen ruimte voor zeggenschap. Terwijl dat in een democratische digitale samenleving wel anders zou zijn.
Technologie is vandaag overal, en daarmee ook het digitaal onrecht.
Digitale technologie is vandaag de dag een fundament van onze samenleving. Ik ben dan ook niet tegen technologie, wel voor betere technologie. In dat verband is er een belangrijke rol weggelegd voor politici en andere beleidsmakers. Maar we moeten daar niet op wachten om een kritische massa te vormen, die betere technologie kan bepleiten. //
Dat de digitale transitie voor ACV-Transcom een belangrijk thema is, onderstreepte het al in 2023 door er zijn ‘Odyssee 2030’-congres aan te wijden. En daar bleef het niet bij. In uitvoering van bepaalde congresresoluties die toen werden aangenomen, vonden in oktober en december 2025 de eerste twee van in totaal vier opleidingsdagen voor militanten plaats. Op 24 maart en 26 mei 2026 staan er nog twee opleidingsdagen op het programma.