/Loonnormwet blokkeert extra begrotingsinkomsten
TEKST Bram Van Vaerenbergh / FOTO IArmana / 13 MEI 2026 / LEESTIJD 3 MINUTEN
De loonnormwet uit 1996 – die nog eens verstrengd werd in 2017 – zorgt ook voor minder inkomsten voor de sociale zekerheid. Immers, als lonen meestijgen met inflatie en productiviteit, nemen ook de fiscale en parafiscale inkomsten toe. Een vrije loonvorming zou jaarlijks tot 360 miljoen euro extra inkomsten kunnen leiden. “De loonkosten in België zijn heel competitief, en dat heeft alles te maken met onze hoge productiviteit”, zegt Renaat Hanssens, adviseur bij de studiedienst van het ACV.
EEN BEGROTING WAARIN JE MEETELT /
De loonnormwet uit 1996 legt om de twee jaar een maximale marge vast voor de stijging van de loonkosten, afgestemd op de evolutie in onze buurlanden. In theorie moest die wet onze competitiviteit beschermen, maar in de praktijk betekent het dat vrije loononderhandelingen structureel worden ingeperkt. Want voor 2025 en 2026 werd de marge voor loonsverhogingen vastgelegd op… 0%.
De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) rapporteerde in februari 2025 nog de laatste cijfers: onze lonen evolueren trager dan in Duitsland, Frankrijk en Nederland. “Maar het echte verschil van de loonevolutie sinds 1996 tussen de Belgische lonen en de lonen in onze buurlanden is veel hoger”, zegt Renaat Hanssens, adviseur bij de studiedienst van het ACV. “Want in de officiële loonhandicap mag geen rekening gehouden worden met de talloze miljarden aan loonsubsidies die de bedrijven ontvangen. De CRB berekende ook wat het loonverschil zou zijn mét subsidies en alle kortingen op patronale bijdragen, en dan had ons land al een achterstand van 3,5% in 2024. Tel daarbij de negatieve ‘handicap’ van 1,1% in 2025 bij, en onze lonen evolueren sinds 1996 al bijna 5% trager dan onze buurlanden.”
360 miljoen euro
Zo blijft de loonnormwet dus vooral een cadeautje aan de ondernemingen, en dit ten koste van de koopkracht van de Belgische werknemers én de sociale zekerheid. “Want als de brutolonen zouden meestijgen met inflatie en productiviteit, stijgen ook de fiscale en parafiscale inkomsten”, vervolgt Hanssens. “Lonen dragen immers meer bij aan de begroting dan winsten. Door de loonnorm op zijn minst terug indicatief te maken, bescherm je de koopkracht én versterk je de staatskas. Dat zou tot 360 miljoen euro extra per jaar kunnen opbrengen.”
De loonnormwet zorgt er ook voor dat werkgevers hun heil meer zoeken in alternatieven buiten het klassieke brutoloon, via allerhande premies en extralegale voordelen. Zo verschuift een deel van de verloning naar vormen die minder bijdragen generen. “De werkgevers claimen dat onze economie kapitaalintensiever wordt en dat een grotere vergoeding voor het kapitaal daarom nodig is, maar tegelijkertijd laten diezelfde ondernemingen de hoogste rendabiliteit noteren sinds 1996”, zegt Hanssens. “In die context van stijgende productiviteit en bedrijfswinsten zijn hogere lonen niet enkel een kwestie van rechtvaardigheid, maar ook van financiering: elke gemiste loonsverhoging staat gelijk aan een gemiste bijdrage voor de sociale zekerheid. Want hogere lonen leiden rechtstreeks tot een versterking van diezelfde sociale zekerheid én het solidariteitsmodel. In tegenstelling tot de huidige verschuiving naar individuele en vaak fiscaal voordeligere verloningsvormen.”